46 jaar, kapotgezopen en doodgraag gezien

Er hing zaterdag een geur in dat crematorium die ik maar moeilijk uit mijn kleren gewassen krijg. Een mengeling van te veel verdriet op te weinig vierkante meters, natte jassen en een verstikkend soort machteloosheid. Het zaaltje was veel te klein. Veel te klein voor het verdriet dat er naar binnen werd geduwd, veel te klein voor een leven dat op deze manier moest eindigen.

Zesenveertig jaar.

Laat dat getal eens even landen. Zes-en-veertig. Ze had godverdomme nog dertig jaar moeten hebben om fouten te maken, om rimpels te kweken, om haar kinderen groot te zien worden. In plaats daarvan stonden we daar te staren naar een kist. Mama van twee eigen kinderen en één plusdochter. Drie jonge levens die nu al moeten leren wat een gapend zwart gat in een gezin betekent. Een dochter van ouders die al op leeftijd zijn—mensen die krakend overeind bleven staan onder het meest tegennatuurlijke gewicht dat er op deze aardkloot bestaat: je eigen kind begraven. En de zus van een vrouw die al vanaf mijn twintigste waarschijnlijk mijn beste maatje is. Mijn maat, die ik daar zag staan met ogen waarin niets meer heel was.

Ze hebben uiteindelijk de stekker eruit moeten trekken.

Dat zijn van die woorden die je in films hoort, maar als het over iemand gaat die je kent, scheurt het je maag open. De machines die stoppen met piepen. De stilte die invalt. En waarom? Omdat ze zichzelf letterlijk kapot heeft gezopen. Niet per ongeluk. Niet omdat een feestje uit de hand liep. Maar langzaam, systematisch, slok na slok, waarschijnlijk verdomd bewust. Alcohol als het enige verdovingsmiddel tegen een realiteit die niet meer te dragen viel.

En weet je wat het meest wrange, het meest misselijkmakende is aan dit hele kutverhaal? Als je haar tegenkwam, zag je het niet. Altijd goedlachs. Altijd de vrolijke noot in het gezelschap. De gangmaker, het masker strak op haar gezicht getimmerd zodat niemand naar binnen kon kijken. Maar achter die lach zat een eenzaamheid die zo diep en koud was dat niemand erbij kon. Een thuisbasis die een slagveld was. Een vent die liever ergens anders rondvogelde dan aan haar bed te zitten wanneer ze kapot in het ziekenhuis lag te vechten. Je kunt omringd zijn door mensen, je kunt getrouwd zijn, je kunt kinderen hebben, en toch verdrinken in een isolement dat niemand ziet omdat je blijft glimlachen.

Ik ben kwaad. Ik ben intens verdrietig, maar ik ben vooral witheet van onmacht.

Waarom wachten we tot er een kist in een veel te klein zaaltje staat voor we de waarheid onder ogen durven zien? Waarom slikken we alles in tot onze lever, ons hart of onze ziel het begeeft?

Dit is geen mooi afgerond blogberichtje met een wijze levensles. Dit is een bloedserieuze, rauwe smeekbede. Uit de grond van mijn hart, van een ploeterende vader die zaterdag zijn vrienden zag breken.

Als je dit leest en je herkent die donkere put: praat.

Als de fles, de pillen of de stilte je enige vrienden zijn geworden: zoek hulp.

Trek aan die godverdomse bel. Schaam je niet. Sla op tafel, breek een bord, schreeuw het uit, maar vreet het niet op tot het je vanbinnen opeet. Blijf niet lachen voor de buitenwereld terwijl je vanbinnen langzaam sterft. Er is geen heldendom in stilletjes ten onder gaan. Er is geen nobelheid in jezelf kapotmaken om de schijn op te houden.

Kijk naar jezelf in de spiegel, hoe troebel je blik op dit moment ook is, en hoor wat ik je zeg: Je doet ertoe. Je bent niet onzichtbaar. Je bent geen ballast. Je bent verdomme graag gezien—zelfs als de mensen die het dichtst bij je zouden moeten staan het laten afweten, dan nog zijn er mensen die om je geven. Jouw kinderen hebben je nodig. Je ouders hebben je nodig. Je vrienden hebben je nodig.

Wacht niet tot de stilte definitief wordt. Trek je mond open zolang je nog ademt. Alsjeblieft. Praat.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *