Remmen net voor het ravijn

Het begon weer met die vertrouwde, bedrieglijke warmte. Een fijne vrouw, oprecht bijzonder, maar met een hoofd en een hart dat zo hopeloos in de knoop zat dat ademhalen voor haar al op topsport leek. En dus begon de dans. Aantrekken tot het bijna echt leek, en dan ineens die ijskoude hand tegen mijn borst: wegduwen. Alsof nabijheid levensgevaarlijk was.

En wat deed ik? Precies wat ik altijd deed.

Ik stapte er weer met open ogen in. De redder, de geduldige rots, de man die dacht dat liefde een uithoudingsvermogenstest was. Ik bleef geloven, bleef excuses verzinnen voor haar muren, bleef hopen dat als ik maar genoeg ruimte gaf, het vanzelf wel zou landen. Ten koste van mezelf. Weer liet ik stukjes van mijn eigen grenzen afbrokkelen om het voor haar comfortabel te maken. Weer cijferde ik mijn eigen buikgevoel weg omdat ik zo graag wilde dat het dit keer ánders zou zijn.

Daar zit de echte scheur. Ik ben niet kapot van liefdesverdriet. Ik ben woest op mezelf.

Godverdomme, kerel, wanneer leer je het nu eens? Hoeveel waarschuwingsborden heb je nodig voor je stopt met dezelfde doodlopende straat in te rijden? Die boosheid zit rauw en heet in mijn keel: het besef dat die oude reflexen—dat eeuwige pleasen, dat slikken, dat jezelf opofferen—zo diep ingesleten zitten dat ze automatisch overnemen zodra iemand een beetje kwetsbaarheid toont.

Maar toen de rook optrok en de stilte viel, gebeurde er iets wat ik niet van mezelf kende.

Geen verpletterend verdriet om een bijna-relatie die strandde. Geen nachten staren naar het plafond met de vraag wat er mis is met mij. Er viel vooral een gigantische, zware last van mijn schouders. Opluchting. Zuivere, nuchtere opluchting.

Ik wankelde niet. Voor het eerst in mijn leven ging de grond onder mijn voeten niet schudden toen de ander zich terugtrok. Ik zag het gebeuren, voelde de oude reflex opborrelen, maar nét voor de afgrond gingen de remmen erop. Ik herkende de patronen—dezelfde dynamiek die me vroeger compleet liet crashen, die me maanden kostte om weer overeind te krabbelen. Dit keer zag ik de waanzin voor wat het was vóór ik mezelf weer helemaal kwijtraakte.

Het is pijnlijk om te zien dat iemand niet klaar is voor wat ze zelf zoekt. Maar het is een overwinning dat ik mezelf niet meer laat meesleuren in andermans knoop. De littekens van vroeger deden even pijn, maar ze hebben verdomme wel gewerkt als waarschuwingslampje. Ik ben niet gecrasht. Ik sta nog recht.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *