Het begon als een traject om te praten, zogezegd om hem te helpen. Maar het praten is voorbij; nu moeten er formulieren ingevuld worden. Vinkjes gezet. Schalen gescoord. Op vraag van zijn moeder moet mijn tienjarige zoon plots door de hele diagnostische molen gehaald worden. ADHD, autisme, noem de hele DSM-catalogus maar op.
Ze willen hem opensnijden tot op het bot om te zien wat er ‘mis’ is met zijn bedrading.
En waarom? Omdat het bij haar niet loopt. Omdat er botsingen zijn die niet in haar plaatje passen. Maar kijk naar die jongen. Kijk naar hoe hij werkelijk in de wereld staat. Op school draait hij mee zonder haperen. Bij zijn sportclub rent hij, lacht hij, hoort hij erbij. Hij heeft vriendjes over de vloer, maakt plezier, functioneert. En hier, bij mij thuis, is er rust. Hij doet wat er van hem verwacht wordt, ademt vrij, is gewoon een kind van tien.
Toch moet er een afwijking gevonden worden. Een medische verklaring voor een dynamiek die simpelweg scheef zit. Als het systeem een kind niet begrijpt—of als een ouder niet kan omgaan met wie hij is—dan moet het kind maar een defect hebben.
Ik huiver ervan. Ik kots van de gretigheid waarmee onze maatschappij tegenwoordig stempels drukt op jonge zielen. Elk hoekje dat niet perfect rond is, moet een etiket krijgen. Alsof een label duidelijkheid schept, terwijl het in werkelijkheid een brandmerk is dat je bewegingsvrijheid afpakt.
Ik weet hoe die machine werkt. Ik heb zelf op die slachtbank gelegen. Ooit dachten ze bij mij dat ik bipolair was. Jaren later herzien ze die mening wel weer even—een administratieve rechtzetting, een schouderophalen van experts die doorlopen naar het volgende dossier. Maar het vonnis was toen allang voltrokken. Je draagt die stempel mee door het slijk van het dagelijks leven. Hij plakt aan je vast, tast aan hoe mensen naar je kijken, hoe je naar jezelf kijkt. Het weegt tonnen zwaarder dan die witte jassen ooit zullen toegeven.
En nu zie ik diezelfde grijpgrage vingers reiken naar mijn zoon.
Ze willen van zijn levendigheid een stoornis maken. Van zijn reactie op spanning een syndroom. Maar ik weiger toe te kijken hoe ze hem reduceren tot een afkorting, puur om het falen van een volwassene te maskeren met een medisch dossier. Hij is geen verzameling symptomen. Hij is een jongen van tien die overeind probeert te blijven in een wereld die liever een stempel op hem drukt dan echt naar hem te kijken.

