Daar zit je dan op de zetel naar melige muziek te luisteren. Het is één uur ’s nachts, de straat is op dit uur van de nacht muisstil, ik voel me bevrijd van enige vorm van sociale controle waarom het licht nog brand in mijn woonkamer. Ik drink bijna nooit — vijf keer per jaar, als ik pech heb — maar vanavond was die fles de enige die nog tegen me praatte. En na drie glazen leek het me, in al mijn benevelde wijsheid, een fantastisch plan om mijn Griekse ex te contacteren.
Echt zo’n Ploeterpapa-actie. Alle remmen los, nul waardigheid over.
Met een wazige blik tikte ik dat bericht op Messenger. Geen poëzie, gewoon de rauwe waarheid:
“Hé, als jouw leven momenteel ook niet loopt hoe het moet zijn: bel me. Altijd. Ik heb nog altijd echt spijt van dat het indertijd misliep tussen ons.”
Verzonden. De vinkjes werden blauw. En toen… bleef het stil.
Die stilte was niet ‘mooi’ of ‘betekenisvol’. Het was gewoon pijnlijk. Terwijl ik daar zat te wachten als een verliefde tiener, besefte ik hoe triest het eigenlijk was: een volwassen vent die om half twee ’s nachts zijn hart uitstort tegen een schermpje, terwijl mijn zoon boven in dromenland is .
Het enige lichtpuntje? Dat ik ondertussen aan de andere kant van het land woon. Godzijdank. Er zitten drie provincies en tweehonderd kilometer tussen mij en de totale afgang. Ik hoef haar niet tegen te komen in de winkel.
Morgenochtend om zeven uur gaat de wekker weer en ben ik weer de ‘verantwoorde vader’. Maar vannacht ben ik gewoon die idioot die een bericht stuurde naar een fantastische Griekse ex, in een mistige kamer, met een veel te zware kater in de maak.
Proost, op de afstand. Want als ik nog in de buurt woonde, was ik waarschijnlijk plannen aan het maken om naar mijn droomhuisje in Griekenland te verhuizen. En dat had het pas écht tragisch gemaakt.

