De prijs van het troosten.

Het was te vol in de aula. Geen stoel meer vrij, dus stond ik achteraan tegen de muur geleund, een beetje weggedoken tussen de jassen en het gedempte geroezemoes. Het afscheid van een jeugdvriendin. De zus van mijn beste maatje. Iemand met wie een stuk van vroeger meegaat dat nooit meer terugkomt.

Zij stond vlak bij me, kapot van verdriet. Het soort huilen dat je fysiek voelt binnenkomen, waar iemands hele lijf van schokt. Zonder na te denken greep ik in mijn jaszak, haalde een zakdoekje tevoorschijn en schoof het naar haar toe. Een hand op een schouder, een sussend woord. Even de rots zijn, even de buffer tegen de wereld. Dat voelde op dat moment als het enige juiste, het enige menselijke om te doen.

Tot vanochtend.

De stoel tegenover de psychologe zat ineens een stuk minder comfortabel. Terwijl ik het moment deelde — dacht ik nog: kijk, ik was er voor iemand — legde zij de vinger genadeloos op de zere plek. “Een herkenbaar patroon,” zei ze rustig. “Je cijfert je eigen pijn direct weg om die van een ander te dragen. Je gunt jezelf niet eens de ruimte om te rouwen.”

En sindsdien tolt het in mijn hoofd.

Het voelt als een stomme, oneerlijke klap in mijn gezicht. Ben ik dan echt zo geprogrammeerd dat troosten een vluchtroute is geworden? Was die zakdoek een oprecht gebaar van medeleven, of gewoon een schild om te voorkomen dat ik zelf zou breken?

Ergens voelt het absurd en bijna ondankbaar om dit nu te analyseren. Iemand is dood, er is immens verdriet, en ik zit hier te twijfelen aan mijn eigen intenties en reflexen. Alsof zelfs verdriet een examen is waarvoor ik gezakt ben omdat ik niet op de juiste manier breek.

Tegelijkertijd voel ik de barsten. Want als ik heel eerlijk ben, achteraan in die zaal met mijn rug tegen het hout, voelde ik een loodzware brok in mijn keel die nergens heen mocht. Alsof ik als man, als vader, als steunpilaar altijd maar de toeschouwer moet blijven die zakdoekjes uitdeelt, maar er zelf nooit eentje nodig mag hebben.

Ik zit vandaag in een rollercoaster waar ik niet om gevraagd heb. Boos op de opmerking, bang dat ze gelijk heeft, en vooral verward. Mag ik gewoon verdrietig zijn zonder dat het meteen een psychologisch patroon hoeft te heten? Of moet ik eindelijk eens leren toegeven dat ik zelf ook kapot ben vanbinnen, en dat er niemand achteraan staat om mij een zakdoek aan te reiken?

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *